Dwaalgast

Home / Geen categorie / Dwaalgast

‘Ik sommeer u het huis te verlaten!’

Ze schrok van haar luide stem. Maar meer nog van dat malle, resolute gebaar. Haar wijsvinger – en die van niemand anders – wees richting de voordeur als een rustende NS-slagboom in de vangpaal. Sommeren? Ze kon zich niet herinneren dat ze ooit dat woord had gebruikt. En het ‘u’ vond ze bespottelijk. Dit stressmoment zou haar psoriasis zeker geen goed doen. Ze wilde krabben.

-‘Ik ga koffie zetten. Jij ook, liefje?’ Het was niet de reactie waar ze op gehoopt had. Ze kon haar hand naar beneden halen en krabben. Huidschilfers vielen als chocoladevlokken op de grond.

– ‘Och lieverd. Stofzuig dadelijk maar even.’

Die nacht had ze gedroomd dat ze hem aan de straat had gezet. In haar ochtendjas waakte ze over de grote vuilniszak. Negentig kilo onverzettelijkheid zat in deze zak. Nu maar hopen dat ze hem meenamen. De vuilnismannen deden hun werk; met een hand wierp een van de mannen de zak in de vuilniswagen. Dat de zak bewoog, had de vuilnisman niet geïnteresseerd. ‘Ze staan vaker aan de straat, mevrouwtje. Een straat terug waren het twee mannen,’ had de oudste haar nog verteld. ‘Het record was zes in één straat. Op één dag.’

In plaats van dat hij in een of andere afvalinstallatie brandde, stond hij op.

-‘Nu al? De afspraak was vier maanden. Niet zes weken. Of wil je..?

Zonder het antwoord af te wachten liep hij naar de keuken.

-‘Koffie, dus.’

Twee avonden hadden ze gechat. In de eerste mailtjes zat weinig diepgang. Bij het lezen speelde haar psoriasis op. Ze wilde de eerste avond dan ook stoppen met chatten. Het was die ene zin die haar daar van weerhield. Hij schreef dat hij huilde op begrafenissen. Fijn een man met emoties. Al snel schreef hij er achter aan ‘Op begrafenissen waar niemand huilt. Dan werp ik me op!!!’ Dat vond ze ‘schattig’, en ‘lief’.

Achteraf, ja achteraf, had het bij haar alle alarmbellen moeten rinkelen; drie uitroeptekens. Diezelfde avond schreef hij: ‘Ik ben zo’n man die tegen de zon durft in te kijken, en ‘je moet niet altijd met de wind meelopen.’ En zo kwam er een tweede chatavond.

Na de tweede chatavond spraken ze af. Hij had die dag erna al een gaatje in zijn agenda. Zij verzette de afspraak van die middag. Natuurlijk hadden ze ergens bij haar in de buurt eerst koffie gedronken, en daarna – minder natuurlijk – keken ze naar de menukaart.

Hij geloofde niet in de eerste indruk. Zelfs niet in een vierde of een vijfde. ‘Om iemand grondig te leren kennen, kun je beter in één huis wonen.’ Dit was hun zesde week van het proef wonen. Zo had hij het genoemd. Daar waren ‘goede ervaringen mee opgedaan’.

Zij verliet het restaurant met haar handtasjes en hij met zijn rolkoffer van 87 liter en zijn kwijlende, bijna blinde heidewachtel teefje van 12 jaar oud. Rolkoffer en keffend teefje stonden bij de garderobe.

Na drie dagen was haar woonkamer onherkenbaar. ‘Spullen leiden alleen maar af bij een relatie in de steigers.’ ‘Opgeruimd in huis, is opgeruimd in je hoofd.’ Wat bleef waren twee fauteuils, een eettafel met twee stoelen, een bijzettafel, een kastje en de hondenmand. Dat was het. De rest had hij ‘ergens’ opgeslagen.

Na vier dagen etaleerde hij zijn vrijetijdsbesteding. ‘Nee, geen hobby.’ Vrijetijdsbesteding en deze man waren geen heilige twee-eenheid. Hij schilderde op nummer. En dat met een motoriek die veel weg had van een man na twee beroertes. En veel te dikke vingers.

Je kunt het slechter treffen, hield ze zichzelf voor. Daar kwam ze al snel van terug. ‘De vos in de sneeuw’, leek in de verste verte niet op een vos. Van dichtbij al helemaal niet. Eerder op een stapel hout. Marilyn Monroe zou iedereen kunnen zijn, behalve Marilyn Monroe. Het is dat ze op de doos had gekeken, anders zou de Taj Mahal niet herkend hebben.

Deze ‘meesterwerken’ hadden een prominente plaats gekregen aan de witte muur van haar doorzonwoning. Op de plek waar eerst een grote foto van haar moeder hing (haar laatste vakantie samen) met op de achtergrond de Niagra watervallen, hing nu een schilderij op nummer van zijn hand. Gesigneerd en voorzien van een datum. Waren het zonnebloemen?

Niet alleen ging de vrijetijdsbesteding en deze man niet samen. Ze vond alles te veel aan hem. Peter-Paul. Eén voornaam zou volstaan. Waarom twee? En al die stoornissen die hij binnen bracht. Hij had een hekel aan stof dat nat werd, kon niet tegen vliegen of andere insecten in huis, controleerde maniakaal of de deuren op slot waren, gas uit was en de kranen waren dichtgedraaid. En tweemaal daags navelinspectie. Voor Peter-Paul was een vieze navel in zijn nabijheid een gesel. Een mens mag zich gelukkig prijzen met psoriasis aan benen en rug, hield ze zich al snel voor.

Op een frequent tijdstip moest ze vragen wat hij voor haar voelde. Steevast, kwam hetzelfde antwoord. ‘Heel veel. Het is nog maar het begin.’ Waarna hij vertrok naar de slaapkamer met het kingsize bed en zij naar de logeerkamer met eenpersoonsbed.

Peter-Paul werd de vlieg die vastgeplakt zat aan de vliegenvanger. Hij duwde zijn bedorven, incomplete leven verder onder haar nagels. Er was geen weg te terug. Hij was als fijnstof. Het zat overal in haar huis. In haar.

‘Als jij niet gaat…dan…’

Met één ruk gooide ze haar voordeur dicht.

Op straat keek ze naar boven. Vanuit haar zolderraam zwaaiden de ouders van Peter-Paul haar na. Zij hadden er een week proef wonen opzitten.

Contact

Neem vrijblijvend contact met ons op.